Een aardlekschakelaar aansluiten gebeurt in de groepenkast, tussen de voeding en de groepen die de schakelaar moet beveiligen. Zowel de fase als de nul loopt via de aardlekschakelaar. Omdat verkeerd aansluiten gevaarlijk is, laat je dit werk uitvoeren en controleren door een vakbekwaam elektricien.
De aansluiting moet passen bij de groepenkast, de aangesloten groepen en de aanwijzingen van de fabrikant.
Welke aardlekschakelaar heb je nodig?
Voor een groep op één fase wordt meestal een tweepolige aardlekschakelaar gebruikt. Die schakelt de fase en de nul af. Voor een driefasenaansluiting is er een vierpolige uitvoering, die drie fasen en de nul schakelt. Welke uitvoering nodig is, hangt af van de groepen die erop worden aangesloten.
Deze aanduidingen op de schakelaar zijn van belang:
- Aanspreekstroom: dit is de lekstroom waarbij de schakelaar moet afschakelen. Voor persoonsbeveiliging wordt vaak 30 mA gebruikt. Een schakelaar van 300 mA is daarvoor geen vervanging.
- Nominale stroom: dit is de stroom die de schakelaar kan voeren. Die waarde moet passen bij de beveiliging en de verwachte belasting.
- Type: type A is een veelgebruikte uitvoering. Voor sommige apparatuur is een ander type nodig.
De elektricien beoordeelt welke combinatie bij jouw installatie past. Een verkeerde keuze kan ertoe leiden dat de beveiliging niet goed werkt of onnodig uitschakelt.
Aardlekschakelaar aansluiten in de groepenkast
De precieze aansluitpunten verschillen per apparaat en groepenkast. In grote lijnen verloopt het werk als volgt:
- Voorbereiden: de elektricien kiest een aardlekschakelaar en aansluitmaterialen die bij de bestaande groepenkast passen.
- Spanningsloos maken: de installatie wordt uitgeschakeld en met een geschikte spanningstester gecontroleerd. De elektricien betrekt ook andere mogelijke voedingen, zoals zonnepanelen, bij het spanningsloos maken.
- Plaatsen: de schakelaar wordt op de daarvoor geschikte plek in de groepenkast bevestigd, vaak op een DIN-rail.
- Aansluiten: de voeding en de afgaande draden worden volgens het aansluitschema van de fabrikant verbonden. Daarbij moeten de fase en nul van dezelfde groep via dezelfde aardlekschakelaar lopen.
- Controleren: na het aansluiten controleert de elektricien de verbindingen en meet de werking van de beveiliging door.
De aarddraad wordt niet door de aardlekschakelaar gevoerd. De schakelaar vergelijkt de stroom die via de fase weggaat met de stroom die via de nul terugkomt.
Waarom de nul goed aangesloten moet zijn
Een veelgemaakte fout is een groep achter één aardlekschakelaar aansluiten, terwijl de nul van die groep via een andere schakelaar loopt. Daardoor kan een aardlekschakelaar onverwacht uitschakelen en is niet zeker dat de beveiliging goed werkt. Ook een losse of verkeerd aangesloten nul kan gevaarlijke storingen veroorzaken.
De draden moeten stevig in de juiste klemmen zitten. Welke draad en aansluiting geschikt zijn, hangt onder meer af van de stroom, de groepenkast en de gebruikte aansluitmaterialen.
Controle na het aansluiten
De testknop laat zien of het ingebouwde testmechanisme de schakelaar kan laten uitschakelen. Die test is nuttig, maar bewijst niet dat de volledige installatie correct is aangesloten of dat de schakelaar binnen de vereiste waarden werkt. Daarvoor gebruikt een elektricien geschikte meetapparatuur.
Na het doormeten test je de aardlekschakelaar regelmatig met de testknop. Bij het testen vallen de aangesloten groepen tijdelijk uit.



