Een lamp aansluiten met 3 draden doe je door de bruine draad op de L (fase), de blauwe draad op de N (nul) en de geel-groene draad op de aardaansluiting te zetten. Die derde draad is de aarding, en die zorgt voor extra veiligheid. Hieronder lees je precies hoe je dit aanpakt, wat de kleuren betekenen en waar je op moet letten.
Wat de drie draden betekenen
Bij een lamp aansluiten met 3 draden heb je altijd te maken met drie vaste kleuren. Elke kleur heeft een eigen functie:
- Bruin: de fase (L). Dit is de spanningvoerende draad. Hier loopt de stroom naartoe.
- Blauw: de nuldraad (N). Dit is de teruggeleider voor de stroom.
- Geel-groen: de aarding (aardingssymbool of aanduiding met een driehoekje). Deze draad leidt stroom af bij een fout in de bedrading.
De aarding is bij een lamp met metalen kap of armatuur geen overbodige luxe. Als er ergens een storing optreedt en er staat spanning op het metalen onderdeel, zorgt de aarding ervoor dat de zekering eruit vliegt in plaats van dat jij een stroomschok krijgt.
Stap voor stap een lamp aansluiten met 3 draden
Zorg altijd dat de stroom is uitgeschakeld voordat je begint. Zet de betreffende groep uit bij je meterkast en controleer met een spanningstester of er echt geen spanning meer op de draden staat.
- Strip de draden. Verwijder ongeveer 8 tot 10 mm van de isolatiemantel aan het uiteinde van elke draad. Gebruik een draadstripper zodat je de koperen kern niet beschadigt.
- Sluit de bruine draad aan op L. Dit is het aansluitpunt voor de fase. In de meeste armaturen staat dit duidelijk aangegeven met de letter L.
- Sluit de blauwe draad aan op N. Dit is het nulpunt. Ook dit staat doorgaans met de letter N aangegeven.
- Sluit de geel-groene draad aan op de aarding. Dit punt is gemarkeerd met een aardingssymbool (drie horizontale lijnen die smaller worden) of de letter E (van earth) of PE (protective earth).
- Controleer alle aansluitingen. Trek voorzichtig aan elke draad om te checken of hij stevig vastzit en niet kan loslaten.
- Zet de stroom weer aan en test de lamp.
Wat als de kleuren in jouw situatie niet kloppen?
In oudere woningen kom je soms bedrading tegen met andere kleuren, zoals rood voor de fase of zwart voor de nuldraad. Dit is de oude Nederlandse kleurcodering die vóór 2004 gangbaar was. In dat geval geldt: rood of zwart is de fase, grijs of lichtblauw is de nul, en geel-groen is altijd de aarding. Twijfel je aan de bedrading in jouw woning? Laat het dan controleren door een erkend elektricien.
Bij sommige lampen met een snoer uit de fabriek zie je ook wel bruine en blauwe draden zonder geel-groene aarding. Dat betekent dat de lamp dubbel geïsoleerd is en geen aarding nodig heeft. Je herkent dat aan het symbool van twee vierkantjes in elkaar op het armatuur of de verpakking. Sluit in dat geval gewoon de bruine en blauwe draad aan, en laat de aardingsdraad uit het plafond vrij (maar isoleer het uiteinde wel af met een stukje isolatietape of een eindkap).
Veelgemaakte fouten bij het aansluiten
De meest voorkomende fout is de bruine en blauwe draad omwisselen. De lamp werkt dan vaak nog gewoon, maar de schakelaar onderbreekt de nuldraad in plaats van de fase. Dat betekent dat de fitting altijd onder spanning staat, ook als de lamp uit is. Dat is gevaarlijk, zeker als je een lamp verwisselt.
Een andere valkuil: de draden niet ver genoeg strippen of te veel strippen. Te weinig gestript geeft een slechte verbinding; te veel gestript laat bloot koper uitsteken dat andere draden kan raken. Houd 8 tot 10 mm als vuistregel aan.
Controleer ook altijd of de draad écht in de klem zit. Een draad die er half uitsteekt kan losraken en een kortsluiting of vonken veroorzaken.
Zodra je alle drie de draden correct hebt aangesloten en alles stevig vastzit, is de lamp veilig in gebruik. Twijfel je ergens aan, bijvoorbeeld over de staat van de bedrading in het plafond of de klemmen in het armatuur, schakel dan een elektricien in. De aansluiting zelf is eenvoudig, maar veiligheid gaat voor alles.



