Een trekschakelaar aansluiten doe je door de voeding en de draad of draden naar het apparaat op de juiste klemmen van de schakelaar te bevestigen. Schakel eerst de stroom uit in de meterkast en controleer met een tweepolige spanningstester of de aansluiting echt spanningsloos is. Welke klemmen je gebruikt, hangt af van het type trekschakelaar.
Voor je de trekschakelaar gaat aansluiten
Kies een trekschakelaar die geschikt is voor het apparaat en de plek waar je hem wilt monteren. Houd de maximale belasting aan die op de schakelaar staat. Trekschakelaars zijn er in enkelpolige en dubbelpolige uitvoeringen. Een enkelpolige schakelaar onderbreekt de fase. Een dubbelpolige schakelaar onderbreekt zowel de fase als de nul.
In een vochtige ruimte moet de schakelaar geschikt zijn voor de plaats waar hij komt. Niet iedere trekschakelaar is bestand tegen spatwater. Ook mag hij niet zomaar op iedere plek in een badkamer worden gemonteerd.
Je hebt onder meer een tweepolige spanningstester, passend geïsoleerd gereedschap en de handleiding van de schakelaar nodig. Kun je niet vaststellen welke draden waarvoor dienen, of is de installatie beschadigd? Laat de aansluiting dan door een elektricien controleren.
Trekschakelaar aansluiten in stappen
- Schakel de groep uit. Zet de betreffende groep in de meterkast uit en zorg dat niemand die tijdens het werk weer inschakelt.
- Controleer de spanning. Test de tweepolige spanningstester op een bekend spanningspunt, meet tussen de aanwezige geleiders bij de aansluiting en test de tester daarna opnieuw op een bekend spanningspunt.
- Bekijk de aansluitklemmen. Zoek in de handleiding op welke klemmen voor de voeding zijn en welke voor de afgaande aansluiting. Klemnummers en symbolen verschillen per model.
- Sluit de draden aan. Bevestig de voedingsdraden en de afgaande draden volgens het schema van de fabrikant. Gebruik de juiste draadlengte en zorg dat de aansluitingen goed vastzitten, zonder zichtbaar blank koper buiten de klemmen.
- Sluit de behuizing. Zorg dat de kabel goed is vastgezet en dat afdichtingen en kabelinvoeren correct zijn geplaatst. Sluit de behuizing voordat je de groep weer inschakelt.
- Test de werking. Zet de groep aan en trek aan het koord. Het aangesloten apparaat hoort bij het trekken aan het koord aan en uit te gaan.
Welke draden komen op de trekschakelaar?
Bij een moderne installatie is de fasedraad meestal bruin en de nuldraad blauw. De aarddraad is geelgroen. De fase voert spanning aan; de nul voert de stroom terug. Ga niet alleen op de kleur af: vooral in oudere installaties kunnen andere kleuren voorkomen.
Bij een enkelpolige trekschakelaar loopt de fase via de schakelaar. De nul wordt niet geschakeld en wordt waar nodig apart doorverbonden. Bij een dubbelpolige uitvoering lopen zowel fase als nul via de daarvoor bedoelde klemmen. De aarddraad loopt niet via het schakelcontact, maar wordt aangesloten op de daarvoor bestemde aardklem of doorverbinding.
Een controlelampje is geen betrouwbare spanningscontrole. Een gedoofd controlelampje betekent niet dat de draden spanningsloos zijn.
Past de bestaande aansluiting niet bij de schakelaar?
Gebruik geen willekeurige klem als het schema niet overeenkomt met de aanwezige draden. Een trekschakelaar met een controlelampje of meerdere standen kan andere aansluitingen hebben dan een eenvoudig model. Ook een schakelaar met te weinig klemmen is geen reden om draden samen onder één klem te plaatsen, tenzij de fabrikant dat toestaat.
Kun je de voeding en de afgaande aansluiting niet met zekerheid herkennen, laat het werk dan over aan een elektricien. Zo voorkom je dat na het aansluiten van de trekschakelaar een deel van de bedrading onverwacht onder spanning blijft staan.



