Het verschil tussen een aardlekschakelaar en een aardlekautomaat is dat een aardlekschakelaar alleen tegen lekstroom beveiligt. Een aardlekautomaat combineert die beveiliging met een installatieautomaat en beschermt ook tegen overbelasting en kortsluiting.
In de praktijk betekent dit dat je bij een aardlekschakelaar aparte beveiliging voor de aangesloten groepen nodig hebt. Een aardlekautomaat heeft die beveiliging voor de eigen groep ingebouwd.
Het verschil tussen aardlekschakelaar en aardlekautomaat op een rij
| Kenmerk | Aardlekschakelaar | Aardlekautomaat |
|---|---|---|
| Bescherming tegen lekstroom | Ja | Ja |
| Bescherming tegen overbelasting en kortsluiting | Nee, daarvoor is een aparte beveiliging nodig | Ja, ingebouwd |
| Aangesloten groepen | Kan meerdere groepen beveiligen | Beveiligt de eigen groep |
| Gevolg bij lekstroom | Alle groepen achter de schakelaar vallen uit | De beveiligde groep valt uit |
Lekstroom is stroom die een andere weg neemt dan bedoeld, bijvoorbeeld via de metalen behuizing van een apparaat. Beide apparaten kunnen bij voldoende lekstroom uitschakelen. Bij overbelasting of kortsluiting reageert de aardlekautomaat zelf. Bij een losse aardlekschakelaar doet de installatieautomaat of zekering dat.
Welke groepen vallen uit bij een storing?
Zijn meerdere groepen aangesloten op één aardlekschakelaar? Dan vallen die groepen allemaal uit als deze schakelaar aanspreekt. Ontstaat er bijvoorbeeld lekstroom door een apparaat in de keuken, dan kunnen ook de lampen op een andere aangesloten groep uitgaan.
Bij een aardlekautomaat blijft een lekstoring normaal gesproken beperkt tot de groep die hij beveiligt. Andere groepen houden dan stroom, zolang er niet ook een andere beveiliging uitschakelt. Dat maakt het vaak makkelijker om te zien in welke groep de storing zit.
Zo herken je het verschil in de meterkast
Zowel een aardlekschakelaar als een aardlekautomaat heeft doorgaans een testknop en een aanduiding voor de gevoeligheid, zoals 30 mA. Aan de testknop alleen kun je ze dus niet van elkaar onderscheiden. Ook de breedte is geen betrouwbare aanwijzing, omdat beide apparaten in verschillende uitvoeringen bestaan.
Kijk naar de opschriften op de voorkant. Een aardlekautomaat heeft naast de aardlekgegevens meestal een aanduiding zoals B16. Die geeft informatie over de ingebouwde beveiliging tegen overstroom. Een losse aardlekschakelaar heeft die groepsbeveiliging niet, ook als er een waarde in ampère op staat.
Welke keuze past bij je groepenkast?
Een aardlekschakelaar met aparte installatieautomaten kan een praktische keuze zijn om meerdere groepen te beveiligen. Het nadeel is dat bij lekstroom meerdere groepen tegelijk uitvallen. Met een aardlekautomaat per groep blijft de uitval bij een lekstoring doorgaans beperkt, maar de totale kosten kunnen hoger zijn.
De apparaten zijn niet zomaar onderling uitwisselbaar. Bij de keuze tellen ook de aansluiting, de beschikbare ruimte en de eigenschappen van de aangesloten apparatuur mee. Laat een elektricien beoordelen welke beveiliging past, zeker als je een bestaande groep wilt aanpassen.



