Een dubbele UTP wandcontactdoos aansluiten doe je normaal met twee netwerkkabels: één kabel voor elke poort. Sluit bij beide kabels alle acht aders aan op de juiste contacten en verbind de andere uiteinden met je router of een netwerkswitch.
Heb je maar één kabel naar de wandcontactdoos lopen? Dan kun je daarmee normaal één poort aansluiten. Voor twee werkende poorten is een tweede kabel de beste oplossing.
Wat heb je nodig voor twee aansluitingen?
Laat twee kabels bij de inbouwdoos uitkomen en gebruik een wandcontactdoos die geschikt is voor het type kabel. Voor vaste bekabeling in de muur wordt meestal kabel met een massieve koperen kern gebruikt. De aansluitpunten moeten geschikt zijn voor die aders.
Verder heb je een kabelstripper en, afhankelijk van de contactdoos, een LSA-tool nodig. Daarmee druk je de aders in de contacten. Sommige aansluitmodules zijn zonder gereedschap te monteren. Met een netwerkkabeltester test je beide aansluitingen na afloop.
Werk je naast een stopcontact of andere bedrading voor netspanning? Schakel de betreffende groep uit en meet met een spanningstester of de installatie spanningsloos is. Laat dit bij twijfel door een vakman doen.
Dubbele UTP wandcontactdoos aansluiten in stappen
- Maak ruimte. Haal de afdekplaat los en neem de twee aansluitmodules uit de houder. Laat beide kabels lang genoeg om ze zonder spanning aan te sluiten.
- Bereid de eerste kabel voor. Verwijder voorzichtig een stukje van de buitenmantel, zonder de aders te beschadigen. Laat de aderparen zo dicht mogelijk bij de contacten in elkaar gedraaid.
- Sluit de eerste poort aan. Volg de kleurmarkering op de module en kies schema A of B. Leg alle acht aders op de aangegeven plekken en zet ze vast met de LSA-tool of de sluiting van de module.
- Herhaal dit voor de tweede poort. Gebruik daarvoor de tweede kabel. Kies aan beide uiteinden van elke kabel hetzelfde schema.
- Monteer de contactdoos. Zet de modules vast en plaats de afdekplaat terug. Vouw de kabels rustig in de doos, zonder scherpe knikken.
- Sluit de andere uiteinden aan. Verbind beide kabels afzonderlijk met een poort op je router of netwerkswitch.
De kleurmarkeringen en manier van vastzetten verschillen per merk. Volg daarom de kleurmarkering op de module en de bijbehorende handleiding.
Wat als er maar één kabel ligt?
Met één kabel sluit je normaal één van de twee poorten aan. De andere blijft ongebruikt. Wil je toch twee apparaten aansluiten, dan kun je een kleine netwerkswitch op de werkende poort aansluiten. De apparaten delen dan de verbinding van die ene kabel.
Er bestaan ook speciale splitters die twee verbindingen over één kabel mogelijk maken. Daarbij zijn passende splitters aan beide uiteinden nodig en gelden beperkingen voor snelheid en gebruik. Sluit de aders daarom niet op eigen houtje verdeeld over de twee poorten aan.
Beide poorten apart testen
Test elke kabel met een netwerkkabeltester. Die kan laten zien of alle aders contact maken en op de juiste plek zijn aangesloten. Werkt een poort niet, gebruik dan aan beide uiteinden van de kabel hetzelfde kleurschema en zet elke ader goed vast.
Test daarna beide wandcontacten met een apparaat en een werkende netwerkkabel. Zo weet je of niet alleen de kabels zijn aangesloten, maar ook beide poorten verbinding maken met je netwerk.



