UTP wandcontactdoos aansluiten: zo doe je het stap voor stap

utp wandcontactdoos aansluiten

Een UTP wandcontactdoos aansluiten doe je door de acht aders van de netwerkkabel in de juiste kleurklemmen van het aansluitpunt te plaatsen. Gebruik aan beide uiteinden van de kabel hetzelfde aansluitschema, A of B. Daarna zet je de doos vast en test je de verbinding.

De klemmen verschillen per wandcontactdoos. Sommige druk je vast met een LSA-tool, bij andere sluit je een klepje dat de aders op hun plek drukt.

Wat heb je nodig?

Voor het aansluiten van een UTP wandcontactdoos heb je meestal het volgende nodig:

  • Een wandcontactdoos met een RJ45-netwerkaansluiting die geschikt is voor je kabel.
  • Een netwerkkabel voor vaste aanleg, bij voorkeur met een stugge kern.
  • Een kabelstripper of een geschikt mesje en een kniptang.
  • Een LSA-tool als de aansluitklemmen daarom vragen.
  • Een schroevendraaier voor de bevestiging.
  • Bij voorkeur een netwerkkabeltester om te zien of alle acht aders contact maken en op de juiste pinnen zijn aangesloten.

Kies aansluitklemmen die geschikt zijn voor het type en de dikte van de kabel. Een wandcontactdoos voor vaste installatiekabel is niet altijd geschikt voor de soepele aders van een patchkabel.

UTP wandcontactdoos aansluiten in vijf stappen

Haal de netwerkkabel eerst los van de router, switch of andere apparatuur. Werk je bij een stopcontact of andere bedrading voor netspanning? Schakel de betreffende groep uit en meet of de installatie spanningsloos is.

  1. Maak de doos klaar. Verwijder de afdekplaat en maak het netwerkaansluitpunt bereikbaar. Bij een inbouwdoos komt de kabel uit de muur. Bij een opbouwdoos leid je hem via de kabelopening naar binnen.
  2. Strip de buitenmantel. Verwijder voorzichtig genoeg buitenmantel om de aders bij de klemmen te krijgen. Beschadig de isolatie van de afzonderlijke aders niet. De acht aders zelf hoef je niet te strippen.
  3. Leg de aders op kleur. Kies schema A of B op het aansluitpunt en gebruik datzelfde schema aan het andere uiteinde. Volg de kleurmarkeringen bij de klemmen. De fysieke volgorde van de klemmen kan per doos verschillen. Laat de aderparen zo dicht mogelijk bij de klemmen in elkaar gedraaid.
  4. Zet de aders vast. Druk elke ader in de juiste klem met de LSA-tool, of sluit het klepje bij een gereedschapsvrije aansluiting. Bij een LSA-tool met snijfunctie moet de snijkant naar het uitstekende draadeinde wijzen. Knip eventuele uitstekende uiteinden weg.
  5. Monteer de wandcontactdoos. Zet de kabel vast met de aanwezige trekontlasting. Plaats het aansluitpunt terug zonder de kabel scherp te buigen of tussen de onderdelen te klemmen. Bevestig daarna de afdekplaat.

De aansluiting testen

Test de kabel met een netwerkkabeltester. Die laat zien of alle acht aders contact maken en of ze op de juiste pinnen zijn aangesloten. Een eenvoudige tester bevestigt niet dat de verbinding ook de gewenste snelheid haalt.

Sluit daarna het andere uiteinde aan op een LAN-poort van je router of switch. Verbind een apparaat met een patchkabel aan de wandcontactdoos en test de netwerkverbinding.

Geen verbinding? Gebruik aan beide uiteinden hetzelfde schema. Elke ader hoort stevig in de juiste klem te zitten en de isolatie mag niet beschadigd zijn. Een losse of verkeerd geplaatste ader kun je opnieuw aansluiten en vervolgens nogmaals testen.

Scroll naar boven