Spotjes doorlussen doe je door vanaf de aansluiting van de eerste spot draden naar de volgende spot te leggen. Bij geschikte spots voor 230 volt of laagspanning verbind je zo de aansluitingen parallel: elke spot krijgt dezelfde spanning. Valt één spot uit, dan blijven de andere normaal gesproken branden.
Voor ledspots met een constante stroom, aangegeven in milliampère, kan een serieschakeling nodig zijn. Lus die niet op dezelfde manier door als spots die op een vaste spanning werken.
Wat heb je nodig om spotjes door te lussen?
Gebruik aansluitmateriaal dat geschikt is voor de spanning, de bedrading en de plaats van montage. Sommige spots hebben aansluitklemmen met ruimte voor een inkomende en een uitgaande draad. Daarmee kun je de verbinding bij de spot doorzetten naar de volgende.
Heeft een spot geen dubbele aansluiting? Dan kun je geschikte lasklemmen gebruiken om de aanvoer, de spot en de draad naar de volgende spot te verbinden. Stop niet zomaar twee draden in één klemopening: dat mag alleen als de klem daarvoor bedoeld is. Werk verbindingen af in een geschikte aansluitdoos of behuizing en zorg dat de draden niet uit de klemmen kunnen worden getrokken.
Spotjes doorlussen in stappen
De volgende werkwijze geldt voor spots die geschikt zijn om parallel te worden aangesloten. Bij laagspanningsspots loopt de verbinding tussen de spots via een passende led-driver of transformator, niet rechtstreeks via het stroomnet.
- Schakel de stroom uit. Zet de juiste groep uit en voorkom dat iemand die tijdens het werk weer inschakelt. Controleer met een geschikte tweepolige spanningstester of de aansluitpunten spanningsloos zijn.
- Aansluitingen en spanning. Op de spots en eventuele driver staan de benodigde spanning en aansluitwijze. Sluit de draden aan volgens de aanduidingen bij de klemmen.
- Verbind de eerste spot. Sluit de inkomende draden aan op de daarvoor bestemde klemmen. Is een aardverbinding vereist, neem die dan ook mee.
- Lus door naar de volgende spot. Verbind de overeenkomstige aansluitingen met elkaar: L met L en N met N. Bij een laagspanningsuitgang gebruik je de aanduidingen van de driver en spot. Sluit bij aangegeven plus- en minpolen de overeenkomstige polen op elkaar aan.
- Werk de verbindingen af. Zorg dat de draden goed vastzitten, geen blank koper uitsteken en de verbindingen veilig zijn afgeschermd. Schakel daarna de stroom weer in en zet de spots aan.
Werk je met netspanning en weet je niet zeker welke draad of aansluiting je voor je hebt? Laat het werk dan uitvoeren door een elektricien.
Waar gaat het doorlussen vaak mis?
Een dubbele klem betekent niet automatisch dat je elke spot mag doorlussen. Houd je aan de voorschriften van de fabrikant, waaronder die voor het maximale aantal aansluitingen en het totale vermogen dat een eventuele driver aankan. Tel daarvoor het vermogen van alle aangesloten spots bij elkaar op.
Werkt een spot niet na het doorlussen, schakel dan eerst de groep weer uit en meet met een geschikte tweepolige spanningstester of alle aansluitingen spanningsloos zijn. Een losse verbinding bij een eerdere spot kan ook de spots daarna zonder stroom zetten. Zet daarom de draden bij de spot die uit blijft en bij de verbinding waarvandaan de bedrading komt goed vast.



