Een wipschakelaar is een schakelaar waarbij de schakelwip (het beweegbare deel dat je indrukt) in de stand blijft staan nadat je hem hebt bediend. Druk je de bovenkant in, dan blijft hij in die positie. Druk je de onderkant in, dan staat hij daar. Dit is het meest herkenbare kenmerk: de schakelaar “kiest” een kant en houdt die vast totdat je hem opnieuw bedient.
Je vindt dit type schakelaar in bijna elk Nederlands huis. De lichtschakelaar in je gang, slaapkamer of woonkamer is in de meeste gevallen een wipschakelaar. De term klinkt technisch, maar het gaat gewoon om de standaard aan/uit-schakelaar die je dagelijks gebruikt.
Hoe werkt een wipschakelaar precies?
Het principe is eenvoudig. De wip wiegelt om een centraal punt, zoals een wip op een speelplaats. Als je de ene kant indrukt, gaat de andere kant omhoog. Binnenin de schakelaar maakt een contact een elektrische verbinding (aan) of verbreekt die (uit). Omdat de wip mechanisch in positie blijft, blijft ook het elektrische contact in dezelfde stand.
Dat mechanische vasthouden is precies wat een wipschakelaar onderscheidt van andere typen. Je hoeft niets ingedrukt te houden; één druk is genoeg.
Wat is het verschil tussen een wipschakelaar, een tipschakelaar en een pulsschakelaar?
Hier zit de kern van de verwarring voor wie schakelaars vergelijkt. De drie typen werken op een duidelijk andere manier:
- Wipschakelaar: de wip blijft staan in de stand waarin je hem achterlaat. Je schakelt aan, de schakelaar blijft aan. Je schakelt uit, hij blijft uit. Dit is de klassieke aan/uit-schakelaar.
- Tipschakelaar (of drukschakelaar): deze schakelaar reageert op een druk, maar veert terug naar de beginstand als je loslaat. Hij geeft een signaal zolang je hem ingedrukt houdt, of hij schakelt bij elke druk wisselend aan en uit, afhankelijk van het type.
- Pulsschakelaar: deze geeft bij elke druk kort een impuls door en veert daarna terug. De pulsschakelaar stuurt dus een korte puls naar bijvoorbeeld een tijdschakelaar of een belinstallatie, maar wisselt zelf niet van stand. Typisch gebruik: de deurbel of een tijdschakelaar voor het trappenhuis.
Het praktische onderscheid: bij een wipschakelaar kun je aan de stand van de wip zien of iets aan of uit staat. Bij een tip- of pulsschakelaar is dat niet zo, omdat die altijd terugkeren naar de neutrale positie.
Wanneer gebruik je een wipschakelaar?
Een wipschakelaar past bij situaties waar je wilt dat de stand zichtbaar en stabiel is. Denk aan:
- Verlichting in woonruimtes, slaapkamers en keukens
- Ventilatie of een afzuigkap die aan of uit moet blijven
- Stopcontacten met schakelaar
- Apparaten waarbij de aan/uit-status op het oog te zien moet zijn
Voor een trappenhuis of gang waar je het licht na een tijdje automatisch wilt laten doven, kies je juist een pulsschakelaar in combinatie met een tijdrelais. De wipschakelaar is daar minder geschikt, omdat het licht dan handmatig uitgedaan moet worden.
Wipschakelaar in één of twee posities
Wipschakelaars zijn er in verschillende uitvoeringen. De meest voorkomende is de enkelvoudige wipschakelaar, met één wip voor één circuit. Maar je hebt ook:
- Dubbele wipschakelaar: twee wippen naast elkaar op één afdekraam, voor twee aparte circuits (bijvoorbeeld twee lichtgroepen in één ruimte).
- Wisselschakelaar (ook een soort wipschakelaar): hiermee kun je een lamp vanuit twee plekken bedienen, zoals onderaan en bovenaan een trap. Technisch gezien is dit een wipschakelaar met een andere interne bedrading.
- Kruis- of serieschakelaar: voor schakeling vanuit drie of meer punten, maar ook dit is in de basis een wipschakelaar.
De buitenkant lijkt bij al deze varianten op elkaar. Het verschil zit van binnen en in hoe de bedrading is aangesloten.
Een wipschakelaar is dus de meest basale en meest gebruikte schakelaar in huis. Het eenvoudige principe, de wip houdt zijn positie vast, maakt hem betrouwbaar en intuïtief in gebruik. Twijfel je welk type je nodig hebt? Kijk dan eerst naar de functie: moet de schakelaar een vaste aan/uit-stand vasthouden, dan is een wipschakelaar de juiste keuze.



